Arù is een oude naam. In het land van de farao's duidde het het Rietveld aan, de hemelse woning waar de ziel, bevrijd van elke last, weer in het licht leeft. Maar vóór het een plaats is, is Arù een bewustzijnstoestand: die waarin je was voordat de wereld je leerde te verdelen — binnen en buiten, ik en de ander, hemel en aarde.
Het is een klank die in veel talen van de hemel opduikt. In het oude Tamil betekent aru 'zes': Aru-meen, de zes sterren, waren de Plejaden, wier opkomst het nieuwe jaar opende en die in de mythe de kleine god Skanda voedden. En bij de Arabische sterrenkundigen woont dezelfde klank in Alruccabah, de Poolster, het onbeweeglijke scharnier waaromheen de hele nacht draait. Overal bewaart de naam dezelfde intuïtie: er is een vast, lichtend punt waar alles begint.
De wijsheidstradities van alle volkeren bewaren de herinnering eraan. Ze noemen het de gouden tijd, de tuin, de hemelse velden: geen verloren tijd achter ons, maar een dimensie die sinds altijd op de bodem van het hart woont en er alleen op wacht herinnerd te worden. Daar is geen scheiding: wie kijkt en wat bekeken wordt, zijn één.
Elke dag sturen de sterren je een boodschap: niet om je iets nieuws te vertellen, maar om je aan iets eeuwenouds te herinneren. De woorden die je hier vindt, ontstaan uit de ontmoeting tussen één stem van de tradities en de hemel van die dag, en het zijn zaden: laat ze voorbij de geest zakken, waar de herinnering aan de oorsprong nog ongeschonden is, zodat die eindelijk kan ontwaken.
Arù is niet ver. Het is de plek die je nooit hebt verlaten.
Als nederig kanaal van de oorspronkelijke waarheid wens ik je een goede reis.
— Maahes